Dit artikel is gepubliceerd i.s.m. circulair ambachtsnetwerk WaardeRing.
‘Het is geen ramp, maar wel een crisis.’ Met die woorden vat Wilma Voortman, directeur-bestuurder van Stichting Kringloop Zwolle/Noggus&Noggus, de huidige situatie op de Nederlandse textielmarkt samen. Achter de kledingrekken van de kringloop speelt zich een ontwikkeling af die voor veel consumenten grotendeels onzichtbaar blijft. De kwaliteit van kleding neemt af, internationale afzetmarkten veranderen, fast fashion overspoelt de markt en kringlooporganisaties moeten hun werkwijze voortdurend aanpassen om afgedankt textiel zo lang mogelijk een waardevol tweede leven te geven.
De textielcrisis laat zien hoe kwetsbaar de circulaire economie kan zijn. Wat ooit een overzichtelijke keten was van inzamelen, hergebruiken en recyclen, is uitgegroeid tot een complex samenspel van wereldhandel, consumentengedrag, wetgeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Verandert één schakel, dan heeft dat gevolgen voor de hele keten.
De cijfers laten zien hoe groot de uitdaging is. Jaarlijks danken Nederlanders ongeveer 215 miljoen kilo textiel af, gemiddeld 12,1 kilo per inwoner. Bijna de helft daarvan verdwijnt rechtstreeks in het restafval en wordt verbrand. De andere helft wordt gescheiden ingezameld. Daarvan kan een deel opnieuw als kleding worden gedragen, een deel wordt verwerkt tot grondstof voor nieuwe toepassingen en een kleiner deel blijkt uiteindelijk alsnog onbruikbaar. Toch vertellen die cijfers maar een deel van het verhaal. Want juist achter de schermen is de textielmarkt de afgelopen jaren ingrijpend veranderd.
Nog niet zo lang geleden was de werkwijze van kringlooporganisaties overzichtelijk. De mooiste kledingstukken gingen de winkel in, terwijl de rest als één partij werd verkocht aan gespecialiseerde afnemers. ‘Vroeger konden we de winkelwaardige kleding eruit halen en de reststroom afzetten,’ vertelt Wilma. ‘Maar onze afnemers zaten daar op een gegeven moment niet meer op te wachten.’ Daardoor veranderde ook het werk binnen de kringloop. Organisaties moesten zelf steeds verder gaan sorteren. Niet alleen op kleding die opnieuw gedragen kon worden, maar ook op verschillende soorten textiel die geschikt waren voor uiteenlopende vormen van recycling. Daarvoor werden complete sorteerprocessen ingericht en ontstonden nieuwe samenwerkingen binnen de sector. Maar ook dat bleek geen blijvende oplossing.
De oorzaken van de huidige crisis liggen grotendeels buiten Nederland. Door geopolitieke ontwikkelingen, veranderende exportmarkten en de enorme groei van goedkope fast fashion is de internationale handel in gebruikt textiel sterk veranderd. ‘In veel landen is nieuwe kleding uit Azië inmiddels zó goedkoop geworden dat tweedehands kleding uit Europa veel moeilijker verkoopbaar is,’ zegt Wilma. ‘Onze afnemers konden het simpelweg niet meer kwijt.’ Daardoor loopt de hele keten vast. Kleding die vroeger relatief eenvoudig opnieuw werd verkocht, vindt steeds moeilijker een bestemming. Tegelijkertijd neemt de kwaliteit van veel kleding af. Goedkope materialen en kortere gebruiksduur maken hergebruik én hoogwaardige recycling lastiger.
Om de gevolgen van die veranderende markt op te vangen, ontvangen inzamelaars sinds de invoering van de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) een vergoeding. Producenten betalen daarmee mee aan de inzameling en verwerking van afgedankt textiel. Die regeling biedt ondersteuning, maar lost het probleem niet volledig op. ‘Vorig jaar konden we met die vergoeding het hele proces nog goed uitvoeren. Inmiddels is de vergoeding lager geworden en moeten we opnieuw kijken hoe we ons werk organiseren.’ Volgens Wilma bestaat bovendien een hardnekkig misverstand over kringloopwinkels. ‘Veel mensen denken dat een kringloop gratis spullen krijgt en daar eenvoudig geld aan verdient. De werkelijkheid is anders. Het inzamelen, sorteren, vervoeren en verwerken van textiel vraagt veel arbeid en logistiek. Juist doordat de kwaliteit van kleding afneemt, nemen ook de kosten toe. Kringlooporganisaties betalen daarmee feitelijk een deel van de maatschappelijke rekening van fast fashion.’
Voor Stichting Kringloop Zwolle betekent dat voortdurend zoeken naar nieuwe manieren van werken. Nog geen twee jaar geleden werd samen met kringlooporganisaties in de regio geïnvesteerd in een gezamenlijke textielsortering. Inmiddels blijkt ook dat model alweer aangepast te moeten worden. ‘We moeten alsmaar meebewegen met wat er om ons heen gebeurt. De dynamiek gaat zo snel dat we het haast niet kunnen bijbenen.’ Door werkzaamheden verder te concentreren hoopt Kringloop Zwolle efficiënter te kunnen werken, transportbewegingen te beperken en grotere partijen textiel aan afnemers aan te bieden. Tegelijkertijd vraagt iedere verandering om zorgvuldigheid, omdat kringloopbedrijven ook een belangrijke sociale werkgever zijn.
Opvallend genoeg groeit de belangstelling voor tweedehands kleding juist wel. Platforms als Vinted en Marktplaats en winkels als Appel & Ei hebben de tweedehandsmarkt de afgelopen jaren flink vergroot. Maar daar profiteert de kringloop niet automatisch van. ‘De tweedehandsmarkt wordt groter, maar dat betekent niet vanzelf dat klanten ook naar de kringloop komen’, zegt Wilma. ‘Kwalitatief goede kledingstukken verdwijnen steeds vaker rechtstreeks via particuliere verkoopkanalen naar een nieuwe eigenaar. Daardoor verandert ook de samenstelling van het textiel dat kringlooporganisaties ontvangen.’
Ondanks alle uitdagingen ziet Wilma ook kansen. Volgens haar ligt de oplossing niet bij één partij, maar bij de hele keten. Binnen WaardeRing werken verschillende organisaties samen om zoveel mogelijk waarde uit textiel te behouden. Een voorbeeld is het verwerken van niet-herdraagbaar textiel tot industriële poetsdoeken. Sociale werkbedrijven knippen daarvoor geschikte materialen op maat, waarna ze worden gebruikt door garages, installatiebedrijven en fietsenmakers. Zo krijgt textiel dat anders weinig waarde meer zou hebben toch een nieuw leven en levert het tegelijkertijd passend werk op.
Kringlooporganisaties zoeken naar manieren om meer kwalitatief goede kleding binnen te krijgen en consumenten bewust te maken van de waarde van hergebruik. Daarin spelen producenten en overheden volgens Wilma een belangrijke rol. Producenten kunnen investeren in duurzamere kleding die langer meegaat en beter recyclebaar is. Overheden kunnen circulair hergebruik stimuleren met passende wet- en regelgeving en financiële prikkels. Maar de consument kan ook een belangrijke bijdrage leveren, door minder, maar kwalitatief betere kleding te kopen, kleding langer te dragen, te repareren en vervolgens in te leveren voor hergebruik. En dat laatste kan een stuk zorgvuldiger. ‘We krijgen steeds meer afval en niet herdraagbare artikelen binnen’, vertelt Wilma. ‘Dat is een enorme kostenpost. Het zou ons in het sorteerproces al enorm helpen als de mensen het onderscheid zouden maken tussen kleding die nog een tweede leven verdient, en textiel en kleding die voor de verkoop in Nederland niet meer geschikt zijn. Als ze dit in twee verschillende zakken zouden aanleveren, scheelt het ons veel onnodig sorteerwerk. Bedenk wat je zelf nog zou willen kopen bij de kringloop.’
De textielcrisis laat zien dat circulariteit veel verder gaat dan spullen opnieuw gebruiken. Wereldhandel, consumentengedrag, producentenverantwoordelijkheid, sociale ondernemingen en recycling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor kringlooporganisaties betekent dat één ding: blijven bewegen. ‘Wij moeten ons steeds opnieuw aanpassen aan wat er om ons heen gebeurt.’
Juist die flexibiliteit maakt organisaties als Stichting Kringloop Zwolle onmisbaar binnen de circulaire economie. Niet alleen doordat zij producten een tweede leven geven, maar ook doordat zij voortdurend zoeken naar nieuwe oplossingen voor een keten die sneller verandert dan ooit.
De overheid wil de hoeveelheid afgedankt textiel terugbrengen naar maximaal 10 kilo per inwoner in 2030.
Bronnen: Rijkswaterstaat, CBS, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Circle